Een sprookje van een Vader en een Zoon
Vader eekhoorn zat met zijn zoon op een stompe boom en ze snoepten van honing met eikenblad. De zoon keek in de verte zonder een woord te zeggen. Misschien keek hij naar later, misschien naar niets in het bijzonder.
‘Waar kijk je naar?’ vroeg vader eekhoorn.
De zoon dacht na. Dat deed hij vaak voordat hij antwoord gaf, omdat antwoorden anders konden weglopen.
‘Ik kijk of ik al iemand aan het worden ben,’ zei hij.
De vader knikte.
Hij vond dat een begrijpelijke bezigheid, zelf deed hij dit al jaren, maar hij had het nooit zo genoemd.
‘Weet jij wie je bent?’ vroeg de zoon.
De vader knikte verstrooid want hij was net aan een gedachte begonnen die hij al lang had uitgesteld.
‘Soms,’ zei hij eerlijk. ‘Maar meestal weet ik vooral wie ik geweest ben.’
‘Is dat niet lastig?’ vroeg de zoon. ‘Als je vooral achterom kijkt?’
De vader dacht na. Zijn antwoord bleef ergens hangen tussen zijn borst en zijn keel, en wist nog niet hoe het eruit moest.
‘Misschien,’ mompelde hij. ‘Maar als ik niet achterom kijk, weet ik niet waar ik naartoe ga.’
De zoon liet dat antwoord op tafel liggen en draaide het om alsof het een steen was.
‘Ik wil weten wat ik mag meenemen,’ zei hij. ‘En wat ik mag laten liggen.’
‘Dat weet ik ook niet altijd,’ zei de vader. ‘Maar misschien hoeven we dat niet meteen te weten.’
‘Wanneer dan wel?’ vroeg de zoon.
‘Misschien nooit helemaal,’ zei de vader. ‘Misschien is het genoeg dat we het af en toe samen bekijken.’
Ze stonden op en liepen naar de bosrand om de ondergaande zon te zien. Naast elkaar, niet te dicht en niet te ver. Precies ver genoeg om elkaar niet te verliezen.
Zonder dat ze dit hadden afgesproken droegen ze iets tussen hen in. Het was vederlicht en het gloeide. En als het even dreigde te vallen, wisten ze allebei precies hoe ze het weer konden oppakken.
(verhaalstijl geïnspireerd op Toon Tellegen)